Gratis Cursus Fotografie: Sluitertijd

Sluitertijd heeft alles te maken met snelheid in het te fotograferen object. Het licht dat door de lens naar binnen schijnt valt niet rechtstreeks op de sensor, maar botst op een spiegeltje en het diafragma. Wanneer we een foto maken dan wordt het spiegeltje weg geklapt en het diafragma geopend waardoor het licht op de sensor kan vallen en vervolgens wordt het spiegeltje terug geklapt en het diafragma gesloten waardoor er geen licht meer op de sensor kan vallen.

Dit open- en dichtklappen zorgt voor het typische “klik-klak” geluid dat je hoort bij DSLR toestellen én niet bij andere fototoestellen.

Hoe lang het licht op de sensor kan blijven schijnen hangt af van de sluitertijd. Hoe groter de sluitertijd hoe langer het licht op de sensor kan schijnen => kans op een onderbelichte foto wordt kleiner. De sluitertijd drukken we uit in seconden (of delen daarvan).

Typische waarden zijn:

Bij elke stap die we naar rechts zetten halveert de hoeveelheid licht die op de sensor valt. We spreken niet over stappen maar net als bij diafragma’s over “stops”.

Oefening

  • Stel je fototoestel in op de handmatige stand (M)
  • Stel een vast diafragma van f/11 in en een vaste ISO waarde van 100 of 200 (indien je de foto’s niet buiten kan maken kies dan voor een vaste ISO waarde van 400 of 800).
  • Maak drie IDENTIEKE foto’s nl. één met een zeer lange sluitertijd (vb. 1/2”), één met een doorsnee sluitertijd (vb. 1/30”) en een met een korte sluitertijd (vb. 1/500”).
  • Bekijk de drie foto’s goed en formuleer conclusies op vlak van belichting. Valt er je nog iets anders op?
Bewegingsonscherpte

Wie bovengenoemde oefening met de nodige ernst en nieuwsgierigheid heeft gemaakt ontdekt ook de keerzijde van de medaille. Waarom moeilijk doen over “sluitertijd”? We kiezen gewoon voor een zo lang mogelijke sluitertijd en dan krijgen we mooi belichte afbeeldingen? Echter door het gebruik van een lange sluitertijd ontstaat bewegingsonscherpte. Dat wil zeggen dat we onscherpe delen in de foto krijgen als IETS beweegt tijdens de sluitertijd. Als de sluitertijd 1/60” is, is die kans veel kleiner dan als de sluitertijd 120x groter is (2”).

Wanneer je een foto maakt van iets in beweging (een wielerwedstrijd, een voorbijvliegende vogel, spelende kinderen, …) dan ben je verplicht om een korte sluitertijd te gebruiken als je een scherpe foto wil. Hoe sneller je onderwerp beweegt des te korter moet je sluitertijd zijn. Zelfs als je onderwerp stil staat (een standbeeld, een geparkeerde auto, …) kan je de sluitertijd niet oneindig lang maken want ook voor (het hand van) de fotograaf is absolute stilstand niet vanzelfsprekend. Een statief kan dan een handig hulpmiddel zijn.

Soms is bewegingsonscherpte mooi en creatief, het zorgt voor “beweging” in je beeld. Denk hierbij o.a. aan Formule 1, sportwedstrijden maar ook kolkende rivieren of wapperende haren.

Oefening

  • Stel je fototoestel in op de sluitertijd voorkeuze stand (S).
  • Maak twee foto’s van een fontein (druppeltjes in beweging) één keer met een sluitertijd van 1/60” en één keer met een sluitertijd van 2”. Om zelf geen beweging te maken zet je het fototoestel bij voorkeur op een statief. Heb je geen statief gebruik dan een muurtje/een brievenbus/een stoel/… om je toestel een stabiele ondergrond te geven.
  • Bedenk zelf nog een gelijkaardige oefening waarin bewegingsonscherpte voor een mooi effect zorgt.

Voorbeeld van een lange sluitertijd:

Pier van Scheveningen en een sterrenhemel

Voorbeeld van een korte sluitertijd:

Vrienden voor het leven